De branche verandert, maar niet vanzelf

Code Rendement en Risico. Herinnert u zich deze nog? In 1997 verscheen de eerste versie van deze gedragscode voor verzekeraars. Beleggingsverzekeringen waren hip, ook en waarschijnlijk vooral vanwege de toenmalige fiscale voordelen van sparen in een polis. Voor verzekeraars was de beleggingsverzekering een godsgeschenk. Als zoete broodjes gingen ze over de toonbank, de een nog mooier verpakt dan de ander. De Code was een initiatief van het Verbond van Verzekeraars en bedoeld om die bonte stoet aan polissen met elkaar vergelijkbaar te maken.

Zelfregulering dus. Dan moet je oppassen. Ik werkte indertijd bij Royal Leven. We bespraken de nieuwe Code met de indertijd jonge honden van MoneyView Research. Het onderzoeksbureau was een paar jaar eerder opgericht door een voormalig financieel adviseur. De aanleiding daartoe was pure frustratie: het lukte hem niet om duidelijkheid te krijgen in de kostenstructuren van beleggingsverzekeringen.

U snapt, MoneyView keek met meer dan gewone belangstelling naar de Code. Wat bleek? Er was wel degelijk een achterdeur om kosten buiten beeld te houden. Voor de technici onder u: volgens de Code mocht er gerekend worden met het netto fondsrendement. Dat is het rendement dat overblijft voor de polis, nadat er al kosten voor het beleggen in rekening zijn gebracht. Hoe hoog die kosten zijn zou een mysterie blijven. Daarmee was het in theorie mogelijk dat verzekeraars kosten buiten beeld zouden manoeuvreren. In die dagen was het heel gewoon om met acht procent rendement te rekenen om naar een doelkapitaal te komen. Hoe meer kosten buiten de berekening gehouden konden worden, hoe lager en dus hoe concurrerender de premie zou zijn. Niet echt transparant dus. De ene acht procent is de andere niet.

BULDEREND
Mede op initiatief van Royal werd een heuse roadshow gehouden, waarin MoneyView dit fenomeen toelichtte aan groepen adviseurs. Bij een van deze bijeenkomsten stond een adviseur op. Het zweet parelde over zijn kalende hoofd. Rood aangelopen van woede schudde hij zijn vuist in de lucht. “Een schande!” riep hij. “Verzekeraars, het zijn allemaal boeven!” Een algehele oproer werd voorkomen en voorzien van het nodige aan leesvoer keerden de bijgeprate aanwezigen kort daarna huiswaarts. Ik liep met de betreffende man naar buiten. Hij was tot bedaren gekomen en schudde zijn hoofd. “Het is toch niet te geloven”, zei hij, “op alle manieren proberen ze geld te verdienen.” Daarna liep hij de parkeerplaats op, stapte in een vuurrode, nagelnieuwe Ferrari en reed bulderend de donkere avond in.

VAN ZELFREGULERING NAAR VERBOD
We zijn bijna 25 jaar verder. Alles gaat voorbij. Royal ging op in Allianz. De Code onderging een paar aanpassingen, bleef een tijdlang een bizarre variant houden voor bij hypotheken met NHG horende polissen en ging toen op in de Wfd, later de Wft. Transparantie ging over in een bonusverbod, een gebalanceerde afsluit- en doorlopende provisie en uiteindelijk een totaalverbod op provisie voor complexe producten. De ooit zo florerende markt van beleggingsverzekeringen was al teloorgegaan door wat in de volksmond de woekerpolisaffaire is gaan heten, het wegstrepen van de fiscale bevoordeling deed de rest.

Als er een verkiezing was voor murw-gebeukte-kreet-van-het-decennium, dan zou ‘klantbelang centraal’ hoog eindigen. Er is zelfs een afkorting aan gewijd: KBC. Er zijn leidraden en toolkits, criteria en trainingen, boeken en dashboards. Uiteindelijk resulteert dit in een gezonde, klantgerichte en zinnige sector die waar voor het geld biedt. Al is een mooie Ferrari ook leuk, natuurlijk.

O ja, MoneyView. De jonge honden van toen mogen dan inmiddels wat verrimpeld en grijzer zijn, nog steeds worden zowat alle financiële producten uitgepluisd en langs de inmiddels befaamde benchmarklat gelegd. En waar nodig wordt de kat de bel omgebonden. Toch nog iets wat bleef.

Verschenen in VVP, vakblad voor financieel adviseurs (nr 3 – 2021)

Vergelijkbare berichten